De Rode Loper

verhalen /// pdf

Hij komt terug. Hij die niet stilstaat. Ik voel het. Iedereen voelt het. Het kan niet anders, de mensen zijn in tijden niet meer zo onrustig geweest. Alsof men de lente voelt aankomen nog voor er één knop aan een boom verschenen is.

Om de zoveel tijd passeert hij door het dorp. Hij die eeuwig leeft, die als een brandende toorts de wereld doorkruist. Onvermoeibaar wervelt hij de aarde rond, van dorp tot dorp, van stad tot stad. Hij is dynamiek, energie, misschien is hij wel het mechanisme dat onze aardbol doet draaien. We hebben hem nodig.

Ik heb hem één keer gezien, bij zijn laatste doortocht. Ik moet een jaar of vijf geweest zijn. Ik herinner me hoe ik me ergens middenin de verzamelde menigte bevond. Ik hield me wat schuw aan moeders rokken vast, tot vader me in zijn nek zette en ik kon zien hoe zijn stralende gestalte in de verte kwam aangelopen. Ik herinner me het zweet op zijn voorhoofd terwijl hij ons voorbijliep, en de euforie die zijn doortocht in ons dorpelingen deed opwellen. Ik voel ze nog altijd, de vreugde die door ons heen ging. Ze zette onze zwak smeulende gemoederen in lichterlaaie, wakkerde ons stilgevallen temperament aan tot een zingend vuur dat nog lange jaren in ons bleef woeden.

Maar het vuur dat hij in ons had ontstoken zwakte na verloop van tijd weer af. Ons lied verstomde tot het niet meer was dan een fluisterzang. De maatschappij vertraagde en begon op een roestende machine te lijken. Ze smeren had geen zin, wisten we, want er was geen brandstof meer. We verstarden, alles viel stil. Maar één ding wisten we zeker: De Rode Loper komt terug. Hij komt altijd terug. We weten het. Het duurt even, maar hij komt. Het maakt niet uit dat we verlamd zijn, want hij zal ons weer in beweging zetten, als we nog wat wachten.

En nu komt hij. Hij moet op een paar kilometer van het dorp verwijderd zijn. Ik wil het van dichtbij meemaken. Ik ben in het midden van de nacht opgestaan en ben naar het dorpsplein gegaan. Ik was niet de eerste. Er waren er al een twintigtal en het werden er steeds meer naarmate de ochtend naderde.

Het hele dorp staat nu buiten en doet de straat aan beide kanten overlopen. Ik sta op de eerste rij. Opwinding weerklinkt uit kelen die al zo lang drooggestaan hebben. Hij zal ons weer doen leven. Hij zal verandering brengen, hoop in ons doen opwellen. Hij nadert. We voelen het allemaal.

Hij is er. Eindelijk kan ik hem van dichtbij zien. Hij loopt hard, zijn wapperende haren vlammen; ze branden zonder daaraan kapot te gaan. Ik zie zijn van het zweet druipende gezicht. Zijn blik kruist me. Ik voel de vreugde al in mij opkomen, maar ik lees ook uitputting in zijn ogen. Zijn rechter mondhoek trekt wat naar beneden, alsof hij ontgoocheling verbijt. Een beetje ontdaan staar ik hem na. Zijn glanzend rode T-shirt, dat een deel van zijn lichaam lijkt, zit onder de zwarte vlekken. Ik voel een zweem van wanhoop, maar ik lijk de enige te zijn.

In het dorp is een gejuich losgebarsten. Het is voorbij. De Rode Loper is uit het zicht verdwenen. Eindelijk is hij teruggekomen. We branden weer, iedereen is vervuld van energie, van leven. Uit onze fonteinen spuit weer water omhoog, onze gemoederen bruisen. Maar voor hoelang? Hoelang voor we weer stilvallen? Moeten we dan weer wachten op de Rode Loper, om ons de kracht te geven om verder te leven?

© Bavo De Cooman, 2002/2011-2013

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s