De Val van het Nachtdier

verhalen /// pdf

Het is een tijd geleden dat ik voor het laatst gelachen heb, of überhaupt vrolijk ben geweest. Het was nochtans ooit anders. Vroeger was er niet het minste spoor van ernst in mij.

Soms kan ernst je bij verrassing overvallen, blindweg, zonder dat je er iets kan aan doen, en dan sta je sowieso machteloos. Daar ben ik van gespaard gebleven. Ik heb het helemaal aan mezelf te danken. Ik was dermate onserieus, dat ik mijn onschuldige lichtzinnigheid (of is het andersom?) compleet zelf heb verspeeld. Als je niet, zoals ik, door ernst verlamd wilt worden, ben je beter niet te onserieus. Als je voorzichtig te werk gaat en het leven onopvallend luchtig opneemt, heb je meer kans op slagen.

Ik was een nachtdier. Ik werd wakker in de late namiddag, maar kwam pas tot leven toen de avond viel. Toen kroop ik uit mijn hol, vond mijn soortgenoten en ging met hen op jacht. Waarop we jaagden wisten we zelf niet goed. Op de roes, zeiden we soms tegen elkaar. Op het delirium, stelden we een andere keer voor. In feite jaagden we vooral op vergetelheid.

#

Het leuke aan een nachtdierbestaan is dat je veel vrienden hebt. Ze vermenigvuldigen zich zowaar, eens je goed en wel op jacht bent. Sommigen verdubbelen en wanneer er wegvallen, komen er nieuwe bij. Allemaal zijn ze je vriend, ook al ken je ze niet en zul je ze later niet meer terugzien.

Zo was het ook die nacht. Ik was de vrienden met wie ik op stap was al na na een paar uur kwijtgespeeld, maar dat deerde me niet. Ik had al nieuwe vrienden gemaakt: een meisje met katachtige ogen en een jongen met een kroon op het hoofd, die duidelijk iets te vieren had, maar zich daar verder weinig van kon herinneren. Met hen kwam ik terug de straat op. Ik voelde even de koude, en bedacht dat het winter moest zijn. Op de straat stonden de mensen nog steeds in dichte drommen bijeen. Het was zo een van die nachten waarop niet alleen nachtdieren zich buiten waagden, maar ook dagjesmensen, die voor de gelegenheid eens van het nachtdierbestaan wensten te proeven.

De gekroonde jongen kon niet meer. “Ik moet… ik moet naar huis, maffen,” zei hij onsamenhangend. Hij wilde weggaan, maar stopte en draaide zich weer om, alsof hij iets vergeten was. “Hier”, zei hij. Hij nam de papieren kroon van zijn hoofd en zette ze op het mijne. Even gingen zijn ogen helder staan. “Ik kroon jou… tot koning van de nacht!” Hij maakte een slordige buiging en waggelde weg.

Koning van de nacht. Ik glimlachte. Dat beviel me wel.

“Waar gaan we naartoe?” vroeg ik aan het meisje met de katachtige ogen. Ze wees op een café in de verte, dat als enige in het straatlicht leek te baden. “Daar misschien?” Ze nam mijn hand en loodste me door de massa heen.

Het café kwam me vreemd voor. Ik voelde een zweem van onrust en wantrouwen door me heen gaan – gevoelens die niets waren voor een man op jacht. Ik duwde ze weg en schonk er verder geen aandacht meer aan.

Het was er druk. Moeizaam manoeuvreerden we door de mensenmassa heen. De kroon viel me al gauw van het hoofd. Ik bukte me onhandig om ze op te rapen en struikelde. Toen zag ik voor mijn neus een blinkende munt liggen. Ik raapte ze op, hees me langzaam van de grond. Het meisje hielp me omhoog. “Gaat het?” vroeg ze. Ik zette de verfrommelde kroon terug op mijn hoofd. “Zeker”, zei ik, en ik leidde haar mee naar de toog.

Ik stak de munt uit naar de waard, een opvallend oude man met sneeuwwitte haren en baard. “Ik ben de koning van de nacht”, zei ik. “Wat geef je me hiervoor?” De waard begon breed te glimlachen. “Voor deze munt, koning van de nacht, breng ik je naar een plaats waar het geen dag meer wordt. Wil je een leven zonder dag?”

“Dat wil ik,” zei ik, plechtiger dan ik van mezelf gewoon was, “maar alleen als mijn koningin mee mag.” Het meisje giechelde en ik trok haar tegen me aan.

“Zo zal het zijn,” antwoordde de waard. Hij nam twee glaasjes en goot ons een donkere likeur uit. “Drink hiervan, en er zal geen dag meer zijn tot ik je weer dezelfde vraag kom stellen.”

Ik keek het meisje aan. Ze haalde haar schouders op en we dronken het glas beiden in één teug leeg. “Kom mee,” zei de waard. Hij nam ons mee naar beneden, langs een trap die achter een deurtje verborgen was. We kwamen in een ruim vertrek, waar muziek speelde en een twintigtal mensen dansten of rondhingen. “Vermaak jullie”, zei hij simpelweg. Hij sloot de deur achter zich en ging terug naar boven.

#

Ik feestte. Ik feestte en verloor alle besef van tijd. Er was geen dag of nacht meer. Er was alleen vergetelheid, tijdloze vergetelheid, en het was heerlijk. Ik was de koning. Ik dronk en danste, maakte plezier met mijn hovelingen en vrijde met mijn koningin. We waren jong, we waren uitzinnig en wild en soms teder en zacht. Ik had mijn delirium bereikt, het schijnbaar eindeloze stadium van zorgeloosheid.

Ik raakte uit mijn vervoering toen ik op een bepaald moment in de spiegel stond te kijken. Ik keek graag naar mezelf. Ik zag mezelf dan staan met mijn koningskroon: trots, levenslustig, zelfvoldaan. Maar toen verscheen het gezicht van mijn koningin achter me. Ze was bekoorlijk als altijd, maar gaf een verwarde indruk. Ik draaide me om, keek haar aan. Iets was anders, maar het was moeilijk te zeggen wat. Toen viel mijn oog op haar buik. Ik keek haar vragend aan. Ze sloeg haar ogen neer.

Een golf van onrust ging door me heen. In de spiegel zag ik mijn koninklijk gezicht vertrekken en vervormen tot een bleek figuur met ingevallen wangen en diepe wallen onder zijn ogen. Op zijn hoofd een groezelig, geelbruin stuk papier. Naast hem stond een verlept meisje van wie slechts de ogen nog een herinnering droegen aan haar vroegere schoonheid.

Ik draaide me naar haar om. Ze gaf me een fletse glimlach en sloeg haar armen om mijn hals. Haar adem rook naar braaksel. Mijn gezicht vertrok in afschuw toen ze me kuste. Ze merkte het niet op en probeerde me mee naar de dansvloer te trekken. Ik schudde het hoofd. Ze haalde haar schouders op, ging terug naar de anderen en begon stuntelige dansbewegingen te maken. Ik kokhalsde.

De vervoering keerde niet meer terug. Ik bleef mezelf en alle anderen zien zoals we echt waren: afgeleefde figuren met witte, bijna doorschijnende lichamen die in tijden het zonlicht niet meer hadden gezien. Ze zwalpten rond, maakten kleine schokkende bewegingen, in de veronderstelling dat ze dansten, zich niet bewust van wat ze werkelijk waren. Ik voelde slechts walging voor hen en voor mezelf.

Vergeefs zocht ik een uitweg. Ik zocht naar deuren, vensters of trappen, maar die waren er niet. Ik kon slechts wachten tot de waard terug zou komen.

Intussen werd ik gekweld door verantwoordelijkheid, iets wat ik mijn hele leven angstvallig had gemeden. Ik had er een sport van gemaakt: Telkens ze kwam kon ik me tijdig verbergen of ervoor opzij springen. Mijn vaardigheid in dat ontduiken had me recht naar het nachtdierbestaan geleid. Ik was er trots op. Maar nu had die verantwoordelijkheid me als een verdwaalde kogel recht in het hart getroffen.

Ik probeerde mijn koningin te beschermen. Ik trok sigaretten uit haar mond, sloeg drank uit haar handen, gaf haar water uit de gootsteen in de plaats. Ze had er een hekel aan in het begin. Ze vloekte en spuwde me in het gezicht. Ik verdroeg het tot ze haar verzet liet varen en me krachteloos gehoorzaamde.

Uiteindelijk kwam de waard terug. Hij had de zwarte likeur weer bij zich en keek me emotieloos aan. Zijn stem klonk dor. “Koning van de Nacht,” zei hij. “Ik geef je de keuze: Laat je de nacht voor altijd voortduren of keer je liever naar de dag terug?”

“Geef me de dag, al verfoei ik hem,” zei ik. “Want de nacht vervult me nog meer met afschuw. Laat me gaan. En laat me mijn koningin meenemen.”

De waard keek haar vragend aan. Ze knikte gedwee.

#

Ik legde mijn kroon af en stapte de dag weer in. De felle ochtendstralen deden me ineenkrimpen. Schuw schuifelde ik de straat weer op. Het nachtdier in mij was dood. Daar, op de rand van de werkelijkheid, was ik al mijn lichtzinnigheid verloren. Ik besefte dat ik nooit gejaagd had, maar opgejaagd was geweest door het leven. Nu had het me ingehaald.

Het meisje dat mijn koningin was geweest nam mijn hand in de hare. Ik keek haar aan. Haar huid was grauwwit, haar ogen ingevallen, al hadden ze nog steeds een zweem van dat katachtige. Haar buik wees lichtjes bollend op een toekomst die ze bij zich droeg. Ze gaf me een flauw glimlachje. Ik hield niet van haar, maar dat maakte niets uit. Ik zou doen wat ik moest doen.

© Bavo De Cooman – 2001/2010-2012

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s