Orpheus

verhalen /// pdf

Het Lot is wreed van aard. Het kijkt naar de mens zoals een kleine jongen naar een gevangen spin, boosaardig afwegend welke poot hij eerst zal uittrekken.

* * *

Al stond San Porporito in geen enkele reisgids, toch vonden reizigers het hele jaar door de weg naar het idyllische bergdorpje. Getipt door insiders ontdekten ze het afgelegen plekje, onaangeroerd door massatoerisme, en verloren ze er hun hart aan. Het altijd zonnige microklimaat, de twee thermische meertjes in de buurt en de gezellige charme van een handvol authentieke cafés en restaurants deden hen jaar na jaar terugkomen. Over het bestaan van dit stukje paradijs lichtten ze slechts hun beste vrienden in, uit schrik dat de charme van San Porporito aan een toeristische stormloop ten onder zou gaan. Zelfs auteurs van reisgidsen die er kwamen, hielden hun ontdekking voor zich.

Zo bleef San Porporito onbekend voor iedereen die er niet moest zijn. De meeste mensen hoorden er pas van toen het door een onverwachte aardbeving volledig van de kaart geveegd werd en honderden vakantiegangers niet meer naar huis kwamen.

* * *

Hij was bijzonder. Buitengewoon was een beter woord. Niemand ter wereld kon mensen dieper met muziek beroeren dan hij. Waar hij kwam, deed hij ijzer smelten, stenen breken, maskers afvallen. Zijn publiek bracht hij telkens weer in een ongeziene vervoering. Hij trok de wereld rond, gewapend met zijn stem en zijn gitaar, en blies iedereen die hij tegenkwam met een lied van zijn sokkel.
In de ogen van zijn toehoorders belichaamde hij de perfectie. Maar zelf wist hij beter. Hij was rusteloos. Hij werd gedreven door een verlangen dat zijn muziek tot bijna ongehoorde hoogtes tilde.

Tot hij haar op een dag leerde kennen. Hij speelde voor een klein groepje mensen in een afgelegen, idyllisch dorpje. Iedereen hing aan zijn lippen. Toen zag hij haar in het publiek staan. Ze ging net als alle anderen helemaal in zijn muziek op, maar nog nooit had iemand zo zijn aandacht getrokken. Hij werd overmand door een gevoel dat hij niet kon verwoorden. Hij haperde, viel stil. De woorden en noten in zijn hoofd verdampten. Hij kon slechts aan haar denken.

Die nacht ontdekte hij de liefde zoals hij ze nog nooit gekend had. Elke omhelzing deed zijn hele lichaam zinderen. Elke kus bracht zijn geest buiten zinnen. Vanaf dat moment waren ze onafscheidelijk. Als ze even niet samen waren, miste hij haar en stak er een angst in hem op, die pas als ze terugkwam door gelukzaligheid werd uitgewist. Verlangen had plaats gemaakt voor volmaaktheid – ook in zijn muziek, want nu kon hij een schoonheid bezingen die aan het onmogelijke grensde.

#

Op een winteravond, na één van zijn concerten, gleed ze uit. Ze kwam op de straat terecht en werd door een auto aangereden. Ze was op slag dood. De bestuurder had hem die avond horen spelen. Hij was nuchter, maar de roes die de muziek had opgewekt, was erger dan dronkenschap.

#

Hij speelde nog één lied. Een klaagzang. Terwijl hij zong, viel alles rond hem stil. Mensen die de klanken opvingen, verloren het bewustzijn en het duurde nog jaren voor er op de plek waar hij toen stond, nog iets wilde groeien. Toen sloot hij zich op in zijn huis. Maandenlang zat hij binnen en staarde wezenloos voor zich uit. Langzaam trok alle kleur uit zijn huis weg. Het hout verweerde en in de muren verschenen barsten. Ook hijzelf verbleekte, tot hij niet meer was dan een schim van zichzelf.

De ommekeer kwam met een kleine maar onmiskenbare gewaarwording: het gevoel bekroop hem dat iemand genoegen schepte in zijn ondergang. Hij stond recht, voor het eerst in vele maanden. Zijn blik werd helder, zijn ogen brandden. “Ik wil haar terug,” zei hij vastberaden. Hij nam zijn gitaar mee en vertrok, gewapend met een bijna onwerkelijke zelfzekerheid. Steeds rechtdoor, tot hij zou vinden wat hij zocht.

* * *

Er zijn veel mensen die uitblinken in vastberadenheid, maar Zoekers zijn er de verpersoonlijking van. Zo sterk is hun verlangen te vinden wat ze zoeken of recht te zetten wat niet had mogen zijn, dat zelfs de realiteit ervan onder de indruk is en spontaan een stap voor hen opzij zet. Ze schuift als het ware een deur voor hen open op de plaats waar geen weg meer is: in muren, in bomen, aan de rand van een kloof of zelfs, eenmalig, midden in een voorbijrazende trein. Wanneer de Zoeker erdoor gegaan is, gaat de deur onherroepelijk dicht. Zelf merken Zoekers daar weinig van: de concentratie op hun doel is zo sterk dat ze pas na enige tijd, soms pas na vele uren, beseffen dat ze op een andere plaats gekomen zijn: Het is voor elk van hen een grasland dat zich onder een schemerende avondhemel in de oneindigheid uitstrekt. Onverstoorbaar stappen Zoekers er door het sompige gras, rechtdoor, de blik onafgebroken gericht op de ondergaande zon aan de einder, zich van niets anders bewust dan hun einddoel. Zo geconcentreerd dat geen van hen beseft dat er geen enkel geluid te horen is, laat staan dat iemand de aanwezigheid van andere Zoekers in de verte opmerkt. Hun tocht tart het Lot, waardoor Zoekers het vroeg of laat toch op hun pad tegenkomen. Het verspert hen de weg, daagt hen uit en beslist hoe de zoektocht eindigt.

* * *

Zijn tocht eindigde abrupt voor een imposante muur. Hij had hem een hele tijd niet opgemerkt, maar ineens was hij daar. Het leek wel een soort stadsmuur, maar dan zonder poorten. Er was slechts één deurtje, en het werd bewaakt.

De poortwachter was geen soldaat, maar een keurig figuur met een bolhoed. Hij droeg gestreept maatpak en had slechts een paraplu als wapen. En hij had geen gezicht – als hij al ogen, een neus of een mond had, dan waren die verborgen achter een ondoordringbaar masker van huid.

“Wat brengt u hier?” de woorden van de bewaker klonken als een doffe stem in zijn eigen hoofd.
“Het Lot heeft me mijn liefde afgenomen,” antwoordde de muzikant. “Ik kom haar terughalen.”
Toen nam hij zijn gitaar en zong een lied. Een lied over verlangen, volmaaktheid en vernietiging. Zijn lied deed het gras rondom hem verschrompelen en kleine brokjes steen van de muur vallen.
Maar de man zonder gezicht bewoog niet. “Geen wet staat boven die van het Lot”, zei de doffe stem. “Ik kan slechts die wet ten uitvoer brengen.”

Weer zong hij. Niet over zichzelf, maar over de man tegenover hem. Over de leegte van identiteitsloosheid, over het eeuwig eenzame wachten op hen die aankloppen aan een poort die niet mag opengaan. Het groen rondom hem verdorde compleet en de muren werden asgrauw. Heel even leek er een rilling door de wachter heen te gaan, maar verder bleef hij onverstoord.
“Het Lot is ook uw vijand”, zei de muzikant tenslotte. “Het verhindert u om iemand te zijn.”

De man zonder gezicht bleef roerloos voor hem staan en sprak lange tijd niet. “Wie is het Lot?” vroeg de doffe stem plots. “Ik ga er van uit dat u weet naar wat voor iemand u op zoek bent?”
De muzikant dacht even na. “Een kind,” antwoordde hij. “Het moet een kind zijn, een kind dat nooit ouder wordt. Eeuwig kwaad omdat nooit groot zal worden, nooit uit zijn eigen cocon zal kunnen treden, nooit liefde zal kennen.

De gestalte van de wachter verbrokkelde en viel in kruimels uiteen. Toen zwaaide het deurtje open.

#

Hij stond in een grote zaal. In het midden stond een groot rad en achteraan, gezeten in een hoge kinderstoel, zat het Lot. Het was klein, gerimpeld, had spierwitte haren en een verwrongen gezicht.
“Er zijn er weinig die mijn gedaante kennen”, sprak het kind. “Wie tot hier raakt, wil ik een kans geven. Laat me zien wat je waard bent.”
Hij knipte met zijn vingers. Ineens was de zaal gevuld met mensen.
“Dit zijn dieven, moordenaars, oplichters, perverten,” zei het Lot grijnzend. “De hardste, meest meedogenloze mensen die ooit geleefd hebben. Ontroer hen.”

De muzikant keek goed naar de figuren die hem omringden. Toen nam hij zijn gitaar en begon te spelen. Het was het langste lied dat hij ooit had gezongen. Elke mens heeft zwaktes, wist hij. Zijn lied was zo lang en zo intens, dat hij ze allemaal vond, hoe diep ze ook verscholen zaten. Zo boorde hij met zijn lied door alle pantsers heen. Eén voor een barstten de toehoorders in tranen uit, tot ook de allerlaatste zich schokkend aan hem overgaf.

“Genoeg!” riep het Lot geagiteerd. De huilende schimmen verdwenen en de man zonder gezicht verscheen.
“Fortuno!” beval het Lot. “Draai het rad voor hem.”
De man zonder gezicht gaf een ruk aan het rad. In een opwelling begon de muzikant weer het lied te spelen dat hij aan de poort voor diezelfde Fortuno had gespeeld. Weer bewoog de bewaker nauwelijks. Er ging slechts een kort, klein schokje door hem heen.

Het rad vertraagde, en de teksten op de panelen werden leesbaar. Leven, dood en liefde wisselden elkaar steeds langzamer af.

Leven… dood… liefde…
Het rad stond nu bijna stil.
Leven… dood…
Een triomfantelijke glimlach op het gezicht van het Lot verstarde toen het rad met zijn laatste krachten toch nog bij liefde tot stilstand kwam.

De gestalte van Fortuno vervaagde, en de verloren geliefde van de muzikant verscheen in zijn plaats. Hij wilde op haar afstormen, maar het Lot hield hem tegen.
“Raak haar niet aan!” riep het. “Hier is ze nog van mij. Ze zal pas van jou zijn als jullie het zonlicht bereikt hebben. Ze zal je achterna komen. Onderweg mag je haar niet één keer aankijken. Als je je omdraait, zal ze voorgoed verloren zijn.”
“Hoe weet ik wanneer we op onze eindbestemming zijn?” vroeg de muzikant.
Het Lot lachte geheimzinnig. “Dat zul je wel weten als het zo ver is,” zei het. “Onhoud dit: Alles eindigt waar het begint!”

#

Ze stapten uren en uren door een donkere tunnel. De verleiding om naar haar om te kijken was bijna ondraaglijk, maar hij hield vol. Hij concentreerde zich op het streepje licht aan het eind, dat al wat groter was geworden, en op het geluid van haar voetstappen. Zo wist hij zeker dat ze bij hem was.
Toen begon het geluid van haar voetstappen te verzwakken, alsof ze achterbleef. Was ze achterop geraakt? Hij wou kijken, maar wist dat dat niet kon. Steeds vager klonken haar voetstappen, tot ze niet meer te horen was.

Was ze er nog? Had het Lot hem voor de gek gehouden? Hij wou achterom kijken, moest achterom kijken, maar deed het niet. Dan zou ze verloren zijn. Zuiver op wilskracht ging hij verder, steeds onzekerder of ze nog bij hem zou zijn als hij eindelijk het licht zou bereiken.

Toen hij uiteindelijk buitenkwam, durfde hij nog steeds niet omkijken.
Toen voelde hij twee handen over zijn schouders glijden, een warm gezicht tegen het zijne komen. Eindelijk. Hij draaide zich om en gaf zich helemaal aan haar over.

“Waar zijn we?” vroeg ze aan hem. Het leek een eeuwigheid later. Het geluk had zijn bewustzijn volledig verdoofd. Hij keek om zich heen. Zijn ogen moesten nog wennen aan het zonlicht. Toen wist hij het.
“Het verhaal eindigt waar het begint,” zei hij opgetogen. “Waar het voor ons is begonnen. We zijn in San Porporito!”

* * *

San Porporito stond in geen enkele reisgids vermeld. Toch vonden reizigers het hele jaar door de weg naar het knusse bergdorpje. Op aanraden van hun beste vrienden trokken ze naar het afgelegen plekje, onaangeroerd door massatoerisme, en verloren ze er hun hart aan. Ze hielden hun ontdekking voor zich, uit schrik dat een toeristische stormloop de charme van San Porporito teniet zou doen. Zo bleef het dorpje onbekend voor wie er niet moest zijn. De meeste mensen hoorden er pas van toen het door een onverwachte aardbeving volledig van de kaart geveegd werd en honderden vakantiegangers niet meer naar huis kwamen.

* * *

Het Lot is wreed van aard. Het kijkt naar de mens zoals een kleine jongen naar een gevangen spin, boosaardig afwegend welke poot hij eerst zal uittrekken.

 

© Bavo De Cooman 2001/2012-2013

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s