Virus

verhalen /// pdf

Vorige week brak er een virus in onze computer uit. Het spatte door het scherm heen en trof mijn vader recht in het aangezicht. Hij liet een korte, verschrikte zucht en viel achterover in zijn stoel. Twee dagen lang bleef hij als verlamd voor het scherm zitten, als aan zijn stoel vastgenageld. Slechts in zijn ogen was er beweging. Ik zag er de pijn in van een gemartelde, niet in staat om uiting te geven aan wat er door hem heen moest razen. Het virus verteerde hem langzaam van binnenuit. Geleidelijk verdween alle kleur uit zijn lichaam, tot hij slechts een zwart-witte potloodtekening leek. Daarna werd hij meedogenloos uitgegomd. Eerst verdwenen zijn voeten, dan zijn benen, zijn buik, tot uiteindelijk zijn ogen, waarin nog steeds de pijn brandde, overbleven. Ze flitsten nog even, als was het een waarschuwing, en doofden uit.

Zijn stoel was met hem verdwenen. Slechts een hoopje grijs-witte schilfers was voor de computer blijven liggen. Mijn vader was niet meer. Het maakte weinig verschil: in zekere zin was hij al jaren dood. Het begon toen ik mijn moeder zich steeds meer als weduwe zag gedragen, tot ze genoeg had van de stilte en besloot om haar leven elders voort te zetten. Ze trok de deur achter zich dicht en keerde nooit meer terug. Ik ging niet met haar mee. Waarom weet ik niet: het is al zo lang geleden dat mijn herinneringen aan haar vervaagd zijn.

Mijn vader en ik leefden verder in de beslotenheid van ons grote herenhuis in de stad. Spreken deden we nauwelijks, buitenkomen zelden. Maar dat kon me niet schelen: de stilte liet me toe een eigen wereld als een cocon om me heen te spinnen.

#

De computer was na enkele uren ook verdwenen. Ik dacht dat het virus daarmee uitgeraasd was. Ik vergiste me. De volgende morgen verstoorde het mijn ontbijt toen het zich aan de tafelpoten tegoed deed. Ik kon alleen maar verstomd toezien hoe de tafel schuin afzakte, mijn ontbijtgranen eraf schoven en het porseleinen kommetje op de grond uiteenspatte. De scherven hoefde ik niet op te rapen. Na enkele seconden waren ze van de vloer verdwenen. Verschrikt sprong ik recht toen ik mijn stoel in de vloer voelde wegzakken, als was het in drijfzand. Ik zag het tapijt verkruimelen, de kasten ineenzakken. Lusters vielen van het plafond en de bloemen op het behangpapier verwelkten en verbleekten tot ze niets meer waren dan grauwe vlekken op een witte muur.

Ik vluchtte. Naar boven, naar de warmte van mijn wereld, waar ik me al zo vaak had teruggetrokken en het meeste van mijn tijd doorbracht. Daar had het virus nog niet huisgehouden. Daar had ik volledige controle.

Ik kwam er even tot rust, waande me er veilig. Maar na enige tijd voelde ik hoe de randen werden aangetast, en mijn wereld stilaan verkleinde. Ik trok me terug in de harde kern van mijn geheugen, waar mijn verbeelding het sterkst was. Ik verstevigde de grenzen met gedachten die ik niet meer nodig had, aan mijn leven buiten de muren.
Mijn lichaam moest zich intussen elke dag een verdieping hoger verplaatsen. Na drie dagen was ik in het dakkamertje beland. Het virus was vertraagd, maar niet uitgeschakeld. Ik barricadeerde mijn wereld verder, gooide het virus mijn jeugd toe, offerde de laatste herinneringen op aan mijn moeder, ons huis, mijn vader. Uiteindelijk kon ik, in het langzaam vervagende dakkamertje, mezelf redden.

#

Mijn wereld is ondoordringbaar geworden. Ik heb me er definitief in opgesloten. Denken hoef ik niet meer. Ik ben een figuur in mijn eigen verbeelding.

© Bavo De Cooman – 2001-2012

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s